Laatst toegevoegd:

18-09-2015  Oosthuizerweg 26
15-09-2015  Middenweg 50
20-07-2015  Hobrederweg 14
18-01-2015  Purmerenderweg 60
04-01-2015  Oostdijk 27
15-04-2014  Jisperweg 127
10-04-2014  Hobrederweg 13
06-03-2014  Jisperweg 133
07-01-2014  Wormerweg 26
07-01-2014  Westdijk 41(a)
09-12-2013  Jisperweg 109
08-12-2013  Neckerweg 23
07-12-2013  Neckerweg 21
03-10-2013  Oosthuizerweg 76
31-08-2013  Jisperweg 134
15-08-2013  Middenweg 70
06-08-2013  Purmerenderweg 9
05-08-2013  Oostdijk 4

Copyright © 2013-2015 by Katja Bossaers
e-mail: info@beemsterboerderijen.nl
De stolpboerderijen in de Beemster

De meeste boerderijen die direct na de droogmaking werden gebouwd, waren stolpboerderijen. Hoe en wanneer dit boerderijtype is 'uitgevonden', is nog altijd ongewis. Recent dendrochronologisch onderzoek in combinatie met bouwhistorisch onderzoek heeft aangetoond dat waarschijnlijk al rond 1560 de eerste stolpen in West-Friesland zijn gebouwd. In ieder geval is in de tweede helft van de zestiende eeuw in het noordelijk deel van Holland een boerderijtype ontstaan waarin oogst (hooi), stal, boerenwoning en wagenschuur samen onder een dak waren ondergebracht. De vierkante vorm van de boerderijen met het piramidevormige dak paste heel goed in het strakke, geometrische landschap van de nieuwe droogmakerijen. De Britse auteur Aldous Huxley die in de jaren 1920 een rondreis door Noord-Holland maakte, schreef bewonderend:
Dit project is 'werk in uitvoering'. Regelmatig zullen nieuwe beschrijvingen op de site worden geplaatst. Aanvullingen en verbeteringen zijn welkom op info@beemsterboerderijen.nl of via het reactieformulier.
Beemster                  Boerderijen
Een project van Katja Bossaers
De stolpboerderij wordt gekenmerkt door een vierkante constructie van palen met dwarsbalken. Op deze gebinten rust het dak. Het hout voor de constructie kwam uit Scandinavie en het Oostzeegebied. In zowel het oud-Duits als in de Scandinavische en Slavische talen komen variaties op het woord 'stolpe' voor in de betekenis van paal, post, zuil. Dat kan mede de verklaring zijn voor de herkomst van de naam van dat nieuwe boerderijtype, naast de stolpvorm van de piramide.
Extra voordeel van de stolpconstructie was de uiterst simpele fundering in de slappe veengrond op het 'oude land' of de zompige klei in de droogmakerijen: het hele bouwwerk rustte slechts op vier grote palen die op gemetselde poeren stonden. Het dak en de wanden van de boerderij dienden alleen ter afdichting van de ruimte en hadden geen dragende functie. Ze konden van lichte materialen, zoals riet en houten planken ('wegen') worden gemaakt zonder veel fundering. Dat materiaal was in de omgeving ruim voorhanden en beperkte de bouwkosten.
Aangezien de buitenkant van de eerste boerderijen bestond uit vergankelijke materialen als hout en riet raakte deze na enige generaties aardig in verval. Grondige vernieuwing was dan noodzakelijk. Daarom zijn er weinig stolpen meer over met een zeventiende-eeuws exterieur. Uitzondering zijn de stolpen die door de opdrachtgever van een chique stenen voorgevel werden voorzien om ze als zomerverblijf meer cachet te geven, zoals de monumentale boerderijen De Eenhoorn en De Lepelaar aan de Middenweg.
De stolpen in de Beemster waren groter dan op het omliggende oude land. Daar telde het gangbare boerenbedrijf omstreeks 1600 zelden meer dan acht hectare land met hooguit acht koeien. Op de doorsnee kavel van twintig morgen in de nieuwe droogmakerij hielden de boeren zo'n 16 tot 18 melkkoeien. Doordat in de Beemster binnen enkele decennia veel nieuwe boerderijen werden gebouwd, vond standaardisatie plaats tot wat Brandts Buijs het 'normaaltype' noemt. Tussen de vier palen is de hooiopslag, het vierkant. Daaromheen liggen de gebruiksruimten: de woonvertrekken, de koestal en de dars. In de koestal stonden de koeien twee aan twee op de koeplaatsen, met de koppen naar de muur. In het voorjaar als de koeien de wei in gingen, maakte de boerin de stal grondig schoon en richtte een zogenaamde zomerstal in.  In de stal werd in de zomerperiode de melk gekarnd en kaas gemaakt.
De twintigste eeuw kende ook ups en downs. Met name de crisisjaren 1930 betekenden ook voor de landbouw een magere tijd. Na de oorlog maakte de landbouw een enorme technische ontwikkeling en schaalvergroting door. Aanvankelijk met enige terughoudendheid gingen de Beemster boeren mee in deze modernisering. De reden is waarschijnlijk dat het boerenbedrijf in de Beemster van oorsprong verhoudingsgewijs vrij groot en welvarend was. Dat zorgde opnieuw voor de wet van de remmende voorsprong: de boeren konden het relatief lang op de oude voet volhouden. Maar vervolgens ging het snel: inmiddels zijn er nog ruim 80 hypermoderne melkveebedrijven met gemiddeld zo'n 100 koeien. De akkerbouw was tot het einde van de negentiende eeuw vrij marginaal. Pas toen de waterhuishouding met de invoering van de stoombemaling verbeterde, kwamen er meer akkerbouwbedrijven.
Eigenaren en pachters
Direct na de droogmaking, op 30 juli 1612, vond in het Slot in Purmerend de verloting van de grond plaats onder de 123 investeerders. Opvallend is dat ongeveer de helft van hen oorspronkelijk afkomstig was uit de Zuidelijke Nederlanden. Zij behoorden tot de kring rond Dirck van Oss, de iniatiefnemer van de droogmaking en zelf in 1585, toen de Spanjaarden de stad heroverden, uit Antwerpen naar Amsterdam gevlucht. Samen met zijn broer Hendrick verkreeg Dirck bijna 1/7 van het nieuwe land. Naast de gebroeders Van Oss waren er nog 16 grootgrondbezitters die meer dan 100 morgen kregen toebedeeld.
Om goede en slechte stukken zo eerlijk mogelijk te verdelen hadden de bedijkers combinaties van hele en halve kavels bedacht, waardoor éën eigenaar soms een zeer versnipperd bezit kreeg. De eerste jaren na 1612 vond dan ook een levendige ruilhandel in grond plaats. Ook waren er investeerders die een snelle winst wilden pakken en hun kavels van de hand deden. Binnen 10 jaar na de droogmaking had 35% van de investeerders alle grond verkocht. De andere eigenaren gingen hun landerijen niet zelf bewerken, maar lieten boerderijen bouwen. Rond 1640 telde de Beemster volgens geschiedschrijver Bouman al 332 boerderijen: 100 van 30 morgen, 150 van 20 morgen en 82 van 10 of 16 morgen.
Op deze boerderijen gingen pachtboeren aan het werk. De eerste pachters waren waarschijnlijk redelijk welvarende boeren uit omliggende regio's als West-Friesland en de Zaanstreek, want zij moesten een hoge borg betalen en hun eigen vee meenemen. In de eerste decennia zorgde de hausse in de landbouw ervoor dat eigenaren gemakkelijk aan pachters konden komen.
"Geometry calls for geometry; with a sense of the aesthetic proprieties which one cannot too highly admire, the Dutch have responded to the appeal of the landscape and have dotted the plane surface of their country with cubes and pyramids. Delightful landscape!".
Momenteel is zo'n 50 hectare in gebruik voor de teelt van graan, aardappelen en grove groenten. Tuinbouw vond van oudsher vooral plaats in de zuidoosthoek van de Beemster. Daar lag de grond hoger en was vruchtbaarder. Bij de inrichting van het land hadden de bedijkers al rekening gehouden met de mogelijkheid van 'warmoezerij', zodat de kavels kleiner waren. Bovendien was de afzetmarkt dichtbij: zowel de weekmarkt in Purmerend als de veerverbinding met Amsterdam. Tot eind negentiende eeuw bleef het aantal tuinders dat vooral bonen, erwten en augurken teelde, tamelijk stabiel. Maar tussen 1890 en 1920 verviervoudigde het aantal tuinbouwbedrijven. Ook fijne groenten en fruit en vanaf de jaren '30 de glastuinbouw deden hun intrede. In die tijd kwam ook de bloembollenteelt op, voornamelijk op stukken weiland die door veehouders jaarlijks worden verhuurd aan bollenboeren. Door deze 'reizende bollenkraam' is de Beemster elk voorjaar een kleurenpracht.
Jean Baptiste Kobell
In de achttiende eeuw kwamen daar nog een drietal uitbraken van de runderpest overheen. Rond 1715 en in de jaren 1740-1760 stierf het vee op grote schaal, soms wel meer dan 80% procent. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw ging het weer beter met de landbouw, maar de Franse tijd bracht een nieuwe malaiseperiode. In het midden van de negentiende eeuw begon een nieuwe tijd van voorspoed. Door de explosief toenemende vraag, vooral uit het snel industrialiserende Engeland, stegen de landbouwprijzen tot ongekende hoogten. Aan deze 'gouden jaren' kwam rond 1880 vrij abrupt een einde toen grote hoeveelheden landbouwproducten uit Amerika de markt overspoelden waardoor de prijzen kelderden.
Het land werd bij opbod verpacht en jaarlijks een nieuwe huurder was meer regel dan uitzondering. Later, in de slechtere tijden, waren de landeigenaren al blij als hun pachter bleef en waren ze coulant als hij door de veepest zijn huur niet op tijd kon betalen. In de loop van de achttiende eeuw komt het ook steeds meer voor dat de elders woonachtige (groot)grondbezitters hun boerderijen met land verkochten aan Beemsterlingen. Niet zelden was de pachtboer de koper, al dan niet met behulp van een lening. In 1800 had bijna 40% van de boeren eigen grond. In de goede periode in de negentiende eeuw liep dit percentage nog verder op. In de crisisjaren na 1880 daalde het sterk. Bij de Landbouwtelling in 1910 was nog maar 30% eigenaar. Tot 1960 bleef de verhouding tussen eigenaars en pachters ongeveer eenderde om tweederde.
De dars was in de begindagen van de polder de plaats waar het graan gedorst werd en het vlas gehekeld. Later was de dars eigenlijk niet veel meer dan een wagenschuur. In deze ruimte was ook de stal voor het paard dat werd gebruikt voor het werk op het land. Bij de dars bevinden zich de darsdeuren waardoor het graan of hooi werd binnengebracht. In de Beemster zaten deze grote deuren meestal aan de achterkant, omdat de boerderijen op de kop van de kavel stonden. Toch komt ook het zogenoemde 'Westfriese' type voor met de darsdeuren aan de voorkant zoals in West-Friesland gebruikelijk was.
De meeste stolpboerderijen hebben in de loop der eeuwen diverse vernieuwingsgolven ondergaan. Het einde van de achttiende eeuw, toen het de boeren relatief goed ging, was zo'n vernieuwingsperiode. Veel stolpboerderijen kwamen toen in handen van de boeren zelf. De heerschapskamers verdwenen, de houten buitenmuren werden vaak in steen herbouwd en de daken deels belegd met pannen. Het erf werd doelmatiger ingericht, al bleef de boomgaard behouden, met vaak een grote variëteit aan fruitrassen.
De 'gouden tijd' in de tweede helft van de negentiende eeuw was opnieuw zo'n vernieuwingsperiode. Veel stolpen werden toen nieuw gezet of op zijn minst werd de voorgevel vervangen of verfraaid. Er verschenen topgevels, ronde schoorstenen, fraai houtsnijwerk en een mooie voordeur die echter volgens oud gebruik zelden openging en daarom wel de 'rouw- en trouwdeur' werd genoemd. Die verbeteringen en verfraaiingen kwamen de boeren later duur te staan, zo schreef burgemeester Scheringa eind jaren 1880 in een verslag over de toestand van de gemeente: 'nu die vette jaren door magere zijn gevolgd, zijn er velen, die gaarne hunne flinke woning met eene mindere zouden willen verwisselen'.
In het begin van de twintigste eeuw werd er opnieuw veel verbouwd, vooral inwendig. Het kaasmaken ging naar de fabriek, wat ruimte gaf in de stal. Daarentegen moest er plek ingeruimd worden voor het jongvee, dat nu veel meer werd aangehouden dan vroeger. Rond 1900 kregen de meeste boerderijen in de Beemster een brongasinstallatie. Via een zogenoemde 'Nortonpijp' diep in de grond werd zo zuiver water en gas naar boven gehaald. Het gas werd gebruikt voor verwarming, verlichting en om te koken.
De laatste grote verandering in uiterlijk en bestemming van de stolpboerderij begon een halve eeuw geleden, toen het boerenbedrijf radicaal van karakter veranderde en de stolp als bedrijfsgebouw niet langer voldeed. De hoeveelheid trekkers en ander materieel groeide sterk, net als het aantal koeien. Nieuwe melkputten vroegen om ruimte. De woonwensen van de moderne agrariër en zijn gezin namen behoorlijk toe, althans voor zover de stolpen nog een band met het agrarisch bedrijf hielden. Want door de groei en samenvoeging van de agrarische bedrijven werden vele stolpen als bedrijfsgebouw overbodig. Ze veranderden in particuliere woningen, aannemersbedrijven of paardenmaneges. In bijna al die gevallen bleef binnen de buitenmuren bijna alleen nog het oorspronkelijke vierkant staan en werd de verdere indeling totaal vernieuwd.

De landbouw in de Beemster
Een van de redenen om het Beemstermeer droog te maken was de behoefte aan meer landbouwgrond voor de voedselvoorziening van de snel groeiende bevolking van de Hollandse steden. Maar het beeld van velden vol wuivend graan was al snel na de droogmaking een illusie. De grond bleek te drassig voor akkerbouw, zodat al snel werd overgeschakeld op veeteelt. De Beemster werd een groene polder. Er werd niet alleen melkvee gehouden voor met name de productie van kaas, maar ook kwamen elk voorjaar duizenden runderen uit noord-Duitsland en Denemarken om zich in de zomermaanden rond te eten op de Beemster weilanden en daarna te worden geslacht. Deze vetweiderij was weinig arbeidsintensief en dus erg profijtelijk voor vooral de grootgrondbezitters. De eerste decennia na de droogmaking waren zeer voorspoedig, maar na het midden van de zeventiende eeuw trad een economische achteruitgang in de Republiek in waaraan ook de Beemster niet ontkwam. Eerst langzaam, maar steeds sneller daalden de prijzen voor landbouwproducten.
De in 1616 gebouwde, rietgedekte houten stolpboerderij 'Uit Zee Lant'
aan de Hobrederweg. Oudste afbeelding van een Beemster stolp.
Uit: 400 jaar Beemster, p. 103
Er zijn nu
40
boerderijen beschreven.